Kerstverhaal 2025:

Monsieur cravate bleu,

Het was kerstavond, de temperatuur schommelde rond het vriespunt en door de kale bomen blies een ijzige oostenwind. De volle maan en de wolkeloze hemel zorgden voor scherpe schaduwen.
‘Nou, de Heer laat ons mooi in de steek,’ zei de jonge Kailyn teleurgesteld vanaf de achterbank van het busje. Hij had over de schouder van de bestuurder alles gezien. De bestuurder was het daar niet helemaal mee eens. ‘Ik denk dat Hijdaar wel een reden voor heeft,’ antwoordde hij zachtjes. Kailyn schudde zijn hoofd en liet zich zuchtend naar achteren tegen de rugleuning vallen.

‘Carcassa,’ zei Tianna terwijl ze nors haar armen over elkaar heen sloeg, het meisje zat rechts van de bestuurder. Carcassa is Latijn voor: wrak. En het veertienjarige meisje met de lange blonde paardenstaart was nog niet klaar met klagen. ‘Onbegrijpelijk, dat broeder Celeste ons dit wrak heeft meegegeven.’
De man die links naast haar achter het stuur zat, knikte lichtjes. Haar moest hij jammer genoeg wel gelijk geven. Rechts naast het meisje zat een andere tiener, het was de veertienjarige Jovan. ‘B-b-broeder Celeste zei dat hij nieuw was,’ stotterde hij. Achterin de bestelbus zaten nog drie tieners: de vijftienjarige Aron, de dertienjarige Kailyn en de veertienjarige Paulo.
‘Het is maar wat je onder nieuw verstaat,’ antwoordde Aron die zijn bril van zijn neus haalde en de glazen begon op te poetsen.
‘Ja, nieuw voor ons, maar niet nieuw uit de fabriek,’ vulde Paulo hem aan. Ondertussen keken ze allemaal naar de grijze stoomwolk die links en rechts onder de motorkap vandaan kwam. Omdat de bus nog reed werden de rookwolken naar achteren gedreven. Marcus had zijn voet al van het gaspedaal gehaald waardoor de bus langzamer begon te rijden. Het was moeilijk voor hem om in te schatten wanneer hij op de vluchtstrook reed. Dit kwam omdat het donker was op dit onverlichte gedeelte van de Franse périphérique, de rondweg van Parijs. Een bijzondere bijkomstigheid was dat het begon te sneeuwen waardoor de belijning van de weg langzaam verdween onder de witte vlokken. Terwijl voor de bestuurder op het dashboard diverse alarmlichtjes zenuwachtig aan het knipperen waren, werd hij links en rechts door andere auto’s voorbij gereden. Enkele Parijzenaren toeterden geïrriteerd terwijl ze voorbij raasden. Na beangstigende minuten reden ze dan eindelijk op de vluchtstrook waar Marcus langzaam de rem verder intrapte. Toen de bus eenmaal stil stond, draaide hij snel het contact uit. Even was het doodstil in de bus. Marcus keek naar achteren. ‘Iedereen rechts uitstappen anders word je voor je sokken gereden!’ waarschuwde hij. Ondertussen veegde hij het zweet van zijn voorhoofd. De tieners ritsten hun jassen dicht en openden de deuren. Ze werden direct verwelkomd door grote koude sneeuwvlokken. De kinderen stapten uit en klommen over de ijzeren vangrail. Er sprong ook een jonge Mechelse herder uit de bus, het was de hond van Tianna die overal meeging. Haar naam was Nova. Ze sprong soepel over de vangrail waarna ze door haar baasje werd aangelijnd. Tianna gaf de hond bemoedigend een aai over haar bol. Marcus stapte als laatste uit, hij had voor iedereen een geel gevarenhesje uit de bus gehaald en deelde die uit. De tieners trokken mokkend het hesje aan en keken beteuterd om zich heen. Gelukkig hadden ze dikke jassen aan zodat ze het niet snel koud zouden krijgen. Het enige dat ze zagen was dat er aan de andere kant van de vangrail, auto’s met hoge snelheid voorbij reden en aan hun kant van de vangrail, dichte bosschages waren. Na het uitdelen van de knalgele hesjes, was Marcus terug naar de bus gelopen en had hij de motorkap van de bus opengetrokken. Nadat de meeste rook was weggetrokken bekeek hij aandachtig het motorblok en de onderdelen eromheen. Hij wilde weten wat er aan de hand was, misschien kon hij het zelf repareren. Tot zijn teleurstelling kon hij niets bijzonders of de oorzaak van de pech ontdekken. Aangezien hij een oude Franse legionair was en geen automonteur moest hij zich overgeven aan zijn gebrek aan kennis over de bus. Met een droge klap sloot hij de klep.

‘Mooi is dat,’ zei hij. Nadat hij de kraag van zijn jas omhoog had getrokken, stak hij zijn handen diep in de zakken van zijn winterjas. Hij draaide zich om naar de vangrail waar de tieners hem vragend aankeken. ‘En dat op kerstavond,’ mompelde hij er met een zucht achteraan.
Het groepje kinderen noemde zichzelf: De Kloosterlingen. Ze waren op weg naar Italië om een ontvoerde vriendin terug te vinden. Ze werden bijgestaan door monniken die vanaf afstand voor spullen zorgden zodat de kinderen de zoektocht konden voortzetten. Het was alleen jammer dat de monnik die voor vervoer had gezorgd, nogal zuinig was en ze een oude bestelbus had gegeven. Daarmee moesten ze van Ierland naar Engeland om vervolgens via België en Frankrijk naar Italië te rijden. Omdat de oude bus de vele kilometers niet trok, waren ze nu met pech op de rondweg van Parijs beland.
Marcus stond met zijn rug naar de snelweg en keek naar rechts, maar zag net zoals de rest, alleen maar kale bosjes. Links zag hij wel iets. Even verderop zag hij onder een van de vele viaducten een kleine blauwe bolvormige tent staan. Dat was niet bijzonder, onder ieder viaduct langs de périphérique stonden wel tenten van zwervers. Misschien kon deze clochard ze wel helpen.

‘Die kant op!’ riep Marcus en wees naar links. Hij liep op de groep af en stapte over de heuphoge vangrail. Net voordat ze in de richting van de tent wilden lopen hoorde ze achter zich een warme stem. ‘Hebben jullie hulp nodig?’ De groep draaide zich verbaasd om. Vanuit de bosjes kwam iemand aangelopen. Het was een slanke man op leeftijd die nogal afwijkende kleding droeg voor de omgeving waar hij zich in bevond. De man droeg namelijk een deftig donkerblauw maatpak waar een lichte ruitpatroon in verweven zat. Zijn schoenen waren donkerbruin en duidelijk van een of ander duur chique merk. Onder het colbert droeg de man een spierwit overhemd met een donderblauwe stropdas die ervoor zorgde dat de man een stijlvolle uitstraling gaf zonder overdreven te zijn.

Nova liep met een kwispelende staart op de man af. De man knielde en begroette de hond met twee handen en een glimlach alsof ze elkaar al jarenlang kende. Tianna knipperde met haar ogen van verbazing. Nova liep nooit zomaar naar vreemdelingen en ze liet zich zeker niet door ze aaien. Jovan die naast Tianna stond, stootte haar aan. ‘W-w-waarom heeft Nova hem niet als eerste opgemerkt, normaal ruikt ze iemand al van ver?’ stotterde hij verbaasd. Tianna haalde haar schouders op. ‘Dat vraag ik me ook af,’ antwoordde ze. ‘Maar het feit dat ze kwispelend op hem afloopt en zich laat aaien, zegt genoeg. De man deugt.’

‘H-h-hoe weet je dat zo zeker dan?’ vroeg Jovan terwijl ze beiden zagen dat Nova zich duidelijk bij de man op haar gemak voelde. Tianna keek daarna Jovan strak aan en antwoordde: ‘Anders had ze zijn hand eraf gebeten.’

Marcus liep op de man af. ‘Jazeker, kunt u ons helpen,’ antwoordde hij in vloeiend Frans. Hij wenkte naar de bus. ‘Onze bus is ermee gestopt, weet u of er in de buurt een garage is?’

De man keek naar de nog licht rokende bus en knikte. ‘Er is hier verderop een garage,’ antwoordde hij eerst. ‘Maar die is nu op kerstavond natuurlijk niet open,’ zei hij erna. Hij kon duidelijk de teleurstelling van Marcus en de kinderen van hun gezichten aflezen. ‘Maar, dat komt wel goed,’ zei hij erna bemoedigend. ‘Ik ken iemand die jullie bus wel kan maken. Die zal ik straks wel bellen,’ zei hij erna met een glimlach. Marcus en de kinderen zuchtten opgelucht.

‘Als u dat voor ons zou willen doen, zouden wij dat zeer op prijs stellen,’ antwoordde Marcus opgelucht. ‘We kunnen u daarvoor betalen,’ zei hij erna. De man schudde zijn hoofd.

‘Dat hoeft niet, ik geef niets meer om geld. En trouwens, ik ben blij dat jullie er eindelijk zijn.’ Marcus begreep de opmerking niet, maar liet het daarbij. Hij wilde eigenlijk dat de kinderen zo snel mogelijk ergens naar binnen konden. Het jongste van het stel, Kailyn, keek de man met een schuin hoofd aan. ‘Nou, ik zie toch dat u een hele dure stropdasspeld draagt,’ zei hij waarbij hij naar de stropdas van de man knikte. Op de stropdas van de man hing inderdaad een goudkleurige horizontale spelt waar kleine briljantjes in zaten.

‘Kailyn!’ reageerde Marcus streng die zich schaamde voor de brutale opmerking. ‘Wees blij dat hij ons wil helpen,’ zei hij vervolgens. De man schudde zijn hoofd. ‘Dat geeft niet hoor, het is inderdaad een prijzige dasspeld.’ Iedereen merkte op dat het harder ging sneeuwen, de omgeving begon al behoorlijk wit te kleuren. 

‘Totdat mijn vriend komt wil ik jullie op deze speciale avond een warme plek aanbieden,’ zei hij waarbij hij naar de kleine blauwe bolvormige tent wees.

‘Het is geen stal met warme stro, maar de intentie is hetzelfde: onderdak aan degene die het nodig hebben.’

‘Die tent is van u?’ vroeg Paulo. De man keek hem met gefronste wenkbrauwen aan. ‘Is dat vreemd?’ vroeg hij hem. Paulo wist even niet wat hij moest antwoorden, want eigenlijk was dat wel vreemd. Een man in deftig maatpak die plotseling uit de bosjes kwam lopen op kerstavond. Voordat Paulo of Kailyn weer een brutale vraag kon stellen, antwoordde Marcus: ‘Graag! Dat stellen we op prijs,’ antwoordde hij terwijl hij Paulo en Kailyn streng aankeek. De man maakte een volg mij, gebaar en liep naar zijn tent. De rest volgde hem. Aron fronste vanachter zijn bril zijn wenkbrauwen. ‘Dat is wel een heel klein tentje, daar passen we nooit allemaal in?’ fluisterde hij tegen Tianna die naast hem liep. Die haalde haar schouders op. ‘Als we maar even uit de kou kunnen blijven.’

De man had de rits nog niet helemaal omhoog geschoven of Nova dook al naar binnen. Marcus, Tianna, Paulo, Jovan, Kailyn, Aron en de man volgden. Het viel iedereen op dat het binnen de tent eigenlijk best wel veel ruimte was. Er lag een oud matras met daaroverheen een slaapzak met ernaast enkele tasjes. In het midden van de tent stond een wegwerpbarbecue waar wit/rode kolen in lagen te smeulen. Het verspreidde een aangename warmte. Terwijl die tieners zich rond de barbecue nestelden en hun handen naar voren staken om de warmte te voelen, zag Marcus dat de man de tent dichtritste. ‘Ik zou de rits maar openlaten,’ begon hij. ‘Anders krijgen we straks last van de koolmonoxide.’

‘Maak je daar niet druk om, daar heb ik alleen last van,’ antwoordde de man met een raadselachtige glimlach. Marcus liet het daarbij, als hij last zou krijgen van hoofdpijn en opeens heel erg vermoeid zou worden, zou hij direct actie ondernemen. Dat waren namelijk de kenmerken van een koolmonoxidevergiftiging. De rest van de avond was het beregezellig in de tent. De man wilde alles weten van de zoektocht naar het ontvoerde meisje en de avonturen van de Kloosterlingen. Hij had zelfs mokken met hete gemberthee en voor Paulo cappuccino met rietsuiker, dat was toevallig het favoriete drankje van Paulo. Alleen kon Marcus niet ontdekken waar hij die plotseling vandaan had gehaald. Er stond geen gasstel of iets anders dan het matras in de tent. Nova lag languit voor de man en liet zich door hem kriebelen. Marcus keek op zijn horloge, het werd middernacht. En het was hem opgevallen dat de man zijn vriend nog niet had gebeld. ‘Sorry, maar moet u niet die kennis bellen?’ vroeg hij dan ook. De man keek hem met een glimlach aan. ‘Dat heb ik al gedaan,’ antwoordde de man. Marcus zweeg, hij had de man de hele tijd gezien, maar niet aan een telefoon. Misschien had hij dat moment gemist, urenlang in het donker rijden op een drukke snelweg had zijn concentratie niet goed gedaan. Ondanks dat de man een onbekende was, vertrouwde hij hem.

‘Wat is uw naam eigenlijk?’ vroeg Marcus. De man wreef over zijn stropdas. ‘Noem mij maar, Monsieur cravate bleu. Zo werd ik door iedereen genoemd,’ zei hij erna met enige trots. Daarna stelde iedereen zich kort voor.

‘Het was gewoon een gok om met deze bus naar Italië te rijden,’ begon Tianna na het voorstelrondje. ‘En Kloosterlingen gokken niet,’ zei ze erna. Marcus zag dat er in de ogen van de man een twinkeling kwam toen Tianna het woord: gokken, uitsprak. De glinstering verdween net zo snel als dat hij gekomen was. Op het vrolijke gezicht van de man verscheen een verbeten grimas. ‘Daar heb je helemaal gelijk in,’ zei de man. ‘Een Kloosterling gokt niet, want je zal er alles door verliezen.’

‘Heeft u daar ervaring mee?’ vroeg Kailyn. Marcus wilde Kailyn weer vermanend toespreken maar werd onderbroken door de man. ‘Laat hem maar, hij mag dat aan mij vragen,’ zei hij zachtjes. De man keek Kailyn met waterige ogen aan. ‘Ja,’ antwoordde hij eerst kort. ‘Jammer genoeg wel. Ik ben door het gokken alles verloren. Mijn baan, mijn huis en nog erger: mijn vrouw en gezin.’ Even bleef het doodstil in de tent. Het enige dat je nog hoorde was het zachtjes knetteren van de brikettenblokken en het neerkomen van de sneeuwvlokken op de tent.

‘Hoe is dat allemaal zo gekomen?’ vroeg Marcus nu toch ook voorzichtig brutaal. De man zweeg even voordat hij zijn verhaal vertelde, je kon duidelijk aan zijn ogen zien dat hij afdwaalde naar het verleden. ‘Onze dochter werd ziek en op een gegeven moment konden we de ziektekosten niet meer betalen. Ik ben toen gaan gokken in de hoop geld te winnen. Maar dat liep totaal uit de hand. Toen ik besefte dat ik gokverslaafd was, was het te laat. Mijn vrouw verliet me omdat ik meer in het casino zat dan thuis, ook mijn baan raakte ik kwijt.’

‘Maar uw dasspeld heeft u niet vergokt,’ onderbrak Kailyn. Hij hoopte de man een beetje op te beuren. Er verscheen een lichte glimlach op het gezicht van de man. ‘Nee, maar dat scheelde niet veel. Het is het enige dat ik nog heb, het is een familie-erfstuk dat veel waard is. Als ik deze speld verkoop zou ik makkelijk de kosten van de operatie van mijn dochter  kunnen betalen. Maar ik ben bang dat hem ik ook door gokken zal kwijtraken.’

‘Maar er is altijd een uitweg, u moet sterk zijn en geloven in uw eigen kracht,’ zei Aron. De man keek hem aan en antwoordde somber: ‘Beste Aron, daar is het te laat voor, ik heb nu andere mensen nodig zodat ik mijn rust kan vinden.’ Niemand begreep zijn opmerking.

‘U kunt altijd nog bidden voor vergeving?’ stelde Aron zachtjes voor. De man knikte. ‘Ik bid iedere dag, iedere dag.’ Toen verscheen er weer een grote glimlach op zijn gezicht. ‘En het ziet ernaar uit dat mijn gebeden na vier jaar eindelijk gehoord zijn.’ Ook deze opmerking begreep niemand.

‘Woont u daarom in deze tent?’ vroeg Paulo. ‘Omdat u alles bent kwijtgeraakt?’

‘Ik woon hier niet echt, alleen op kerstavond ben ik hier te vinden, al vier jaar lang. Al vier jaar lang heb ik gebeden en gewacht op…’

Plotseling schoot de rits van de tent omhoog en blies er een ijskoude wind door de tent de sneeuw die naar binnen werd geblazen smolt meteen door de warmte die in de tent hing. De briketten sisten als een geschrokken slang, toen de sneeuwvlokken het kleine rooster raakten. Iedereen behalve de man, keek verschrikt naar de ingang. Nova stond op, blafte en rende de tent uit. ‘Nova!’ riep Tianna die direct opstond en de hond achterna ging.

‘Een Kloosterling laat nooit een andere Kloosterling alleen!’ riep Aron waarna iedereen opstond en zo snel mogelijk de tent uit snelde. Ook Marcus stond op en wilde de tent uitlopen, maar hij stopte. Hij draaide zich om en zag de man nog steeds met een glimlach, staan. Het leek wel alsof hij zuchtte van verlichting. ‘Ga maar,’ zei de man zachtjes.

‘Waar heeft u op gewacht?’ vroeg Marcus die dat wel wilde weten. Achter zich hoorde hij Nova in de verte blaffen. De man keek hem aan en antwoordde: ‘Op jullie, ik heb op jullie gewacht.’

Toen werd het geblaf wilder en hoorde Marcus de kinderen schreeuwen. Hij draaide zich snel om en rende naar buiten de sneeuwstorm in. Hij werd gegrepen door de ijskoude wind met zijn sneeuwvlokken. Door de voetstappen in de sneeuw kon hij de tieners makkelijk volgen. Tijdens het rennen viel het hem op dat de snelweg rechts totaal leeg was, geen auto’s, niets. Alleen de mysterieuze stilte die sneeuw altijd met zich meebracht. Sneller dan hij had verwacht rende hij de bosjes uit en stond hij opeens op een parkeerplaats, het was redelijk groot met in het midden een aantal lantaarnpalen. De sneeuwvlokken dansten vrolijk rond de lichtstralen. In de verte zag hij de kinderen staan, ze stonden bij de enige auto die daar stond. De auto moest daar net geparkeerd zijn omdat er nog geen sneeuw op lag. Naast de auto stond een vrouw die gekleed was in dikke kleding met een wollen sjaal. In haar hand had ze een grote bos bloemen. Marcus stopte met rennen omdat hij er niet echt een gevaar in zag. Hij liep snel op het groepje af. Eenmaal aangekomen zag hij dat Nova door de vrouw geaaid werd.

‘Ik weet niet wat er met Nova aan de hand is, maar het lijkt erop dat ze nu met iedereen wil kroelen,’ zei hij toen hij naast de rest ging staan. ‘Is alles in orde?’ vroeg hij verbaasd. Tianna, Paulo, Aron en Kailyn keken hem verbaasd aan. ‘Ja, hoor, niets aan de hand,’ antwoordde Tianna verbaasd. ‘Nova rende alleen naar deze mevrouw toe?’

‘Maar ik hoorde jullie toch echt schreeuwen?’ zei Marcus. De kinderen schudden hun hoofden. ‘Nee, wij hebben helemaal niet geschreeuwd?’ zei ze erna. Marcus begreep er niets van, het zal de vermoeidheid wel zijn, dacht hij.

‘We zijn achter Nova aangerend en die rende naar de auto van deze mevrouw,’ zei Aron. De vrouw had het allemaal aangehoord. ‘Wat een lieve hond,’ zei ze zachtjes.

‘Sorry, ik weet ook niet waarom ze naar u toe wilde,’ verontschuldigde Tianna zich. ‘Dat doen honden wel vaker,’ antwoordde de vrouw.

‘Wat een mooie bos bloemen, waar zijn die voor?’ vroeg Kailyn aan de vrouw. De vrouw glimlachte lichtjes en wenkte dat de groep mee moest lopen. De vrouw wandelde naar een lantaarnpaal die voor de bosjes stond waar de groep net uit was gekomen. Op de paal hing een bordje met een vergeelde afbeelding, onder het bordje stond een glazen potje. De vrouw legde de bloemen naast het potje en haalde een waxinelichtje uit haar zak dat ze aanstak en in het potje plaatste. Het kleine vlammetje verlichtte lichtjes de bos bloemen. De vrouw stond weer op. ‘Deze bloemen zijn voor mijn man,’ zei ze. De tieners zwegen. Jovan keek om zich heen. ‘M-m-maar ik zie uw man helemaal niet?’ vroeg hij. Tianna gaf hem met haar elleboog een por. ‘Asinus! Ik denk dat haar man hier overleden is,’ fluisterde ze terwijl ze boos naar hem keek. Jovan haalde zijn schouders op. ‘J-j-je kunt me wel een ezel noemen, maar hoe moet ik dat nu weten?’ prevelde hij. De vrouw keek hem met vriendelijke ogen aan. ‘Nee hoor, dat kan je ook niet weten,’ begon ze. ‘Mijn man is inderdaad hier even verderop, een aantal jaren geleden overleden.’

‘Dat spijt ons om te horen,’ zei Marcus. ‘Tijdens een ongeluk hier op de snelweg?’ vroeg hij waarbij hij naar de bosjes wees waarachter de snelweg lag. De vrouw schudde haar hoofd. ‘Nee, hij heeft zichzelf om het leven gebracht,’ zei ze zachtjes alsof ze zich ervoor schaamde. Nova voelde haar pijn en duwde haar kop tegen het been van de vrouw, de vrouw begon haar te aaien.

‘Dan moet hij wel heel erg in de war zijn geweest,’ zei Marcus.

‘En gokschulden,’ antwoordde de vrouw er direct achteraan. Ze schrok van haar eigen reactie. ‘Sorry, daar wil ik jullie niet mee lastig vallen.’

‘Geeft niet,’ antwoordde Marcus. ‘Als we u met iets kunnen helpen horen we dat graag.’ De kinderen knikten bevestigend. Marcus fronste zijn wenkbrauwen en vroeg voorzichtig: ‘Hoe hij is overleden?’

‘Koolmonoxidevergiftiging,’ antwoordde de vrouw kort.

‘Mag ik vragen wat de lievelingskleur van uw man was?’ vroeg Aron.

‘Natuurlijk,’ antwoordde de vrouw eerst kort. ‘Blauw. Mijn man was gek op de kleur blauw. Hij droeg ook altijd een blauwe stropdas, altijd.’

Toen Tianna dit hoorde liep ze naar het vergeelde bordje, er stond een afbeelding van een persoon op maar dat was niet meer te zien. Het was meer een vage schim.

‘Ik moet inderdaad dat bordje vervangen, het is een afbeelding van mijn man,’ zei ze waarna ze vanuit haar binnenzak een foto haalde. ‘Dit was mijn man,’ zei ze met een treurige stem. De tieners kwamen dichterbij staan en verbleekten toen ze het vrolijke gezicht op de foto zagen. Behalve Jovan, die begreep er niets van. ‘M-m-maar,’ begon hij, maar hij kreeg opnieuw een por in zijn zij waardoor hij zweeg.

‘Ik denk dat u maar even met ons mee moet lopen,’ zei Aron die Marcus veel betekent aankeek. Alsof Nova hem begrepen had, rende ze als eerste de bosjes in. De tieners volgden de hond waarbij de vrouw als laatste kwam. Ze kwamen bij de vangrail waar ze naar rechts liepen. Maar eenmaal onder het ondertussen doodstille viaduct, was er geen blauwe tent meer te vinden. Niets leek erop alsof er enkele minuten daarvoor nog een tent had gestaan. Sterker nog, op de plek waar de tent had gestaan, stonden grote kale bosjes. Geen tent en geen man in blauw pak. De kinderen stopten en keken elkaar verbaasd aan. ‘W-w-waar is die tent nu?’ mompelde Jovan. De vrouw kwam aangelopen, het kostte haar enige moeite omdat ze op hakken liep. ‘Wat wilden jullie me laten zien?’ vroeg ze. Tianna, Marcus, Aron, Jovan, Paulo en zelfs Nova keken totaal verbijsterd rond. Marcus zag alleen zijn bus verderop staan die ondertussen ondergesneeuwd was. ‘Eh,’ begon hij. ‘Nou, we wilden u onze bus laten zien. We hebben namelijk pech. Misschien kunt u ons helpen?’ stamelde hij. Tianna keek hem boos aan. Wat was dat nou voor opmerking. Marcus haalde zijn schouders op. Hij moest toch iets zeggen?

‘Sorry, daar kan ik u niet mee helpen,’ begon ze. ‘Mijn man had u wel kunnen helpen, hij was namelijk dol op dit soort busjes. Hij sleutelde er graag aan in zijn vrije tijd. Is hij echt kapot?’

‘Ik kan hem wel proberen opnieuw te starten, de motor is nu wel afgekoeld,’ zei Marcus. Hij stapte over de vangrail, liep met knerpende voetstappen door de droge sneeuw, naar de bus en stapte in. Tot ieders verbazing startte de bus direct, zonder dat er rook onder de motorkap vandaan kwam. En de ruitenwissers veegden braaf de sneeuw weg. Daarna bleef de motor vredig ronken. ‘Nou, breekt mijn klomp,’ mompelde Marcus die zag dat er geen enkel lampje meer waarschuwend op het dashboard knipperde.

‘Nou, gelukkig doet hij het weer. Jullie kunnen weer op weg,’ zei de vrouw met een glimlach. De kinderen stapten nadat ze afscheid hadden genomen over de vangrail, de ijskoude bus in. Marcus had ondertussen de sneeuw van de andere ramen geveegd en de verwarming op de hoogste stand gezet. Tianna stond als laatste nog bij de vrouw. ‘Wel bijzonder dat jullie me naar deze plek brengen,’ zei ze terwijl ze naar de plek keek waar eerst de tent had gestaan.

‘Hoezo?’ vroeg Tianna. De vrouw keek haar droevig aan en zei: ‘Precies op deze plek heeft de blauwe koepeltent gestaan waar mijn man zelfmoord in heeft gepleegd.’

Tianna voelde een rilling over haar rug lopen. ‘Hoe heette uw man eigenlijk?’

‘Zijn echte naam was Jean Claude, maar omdat hij altijd een blauwe stropdas droeg noemde iedereen hem…’

‘Monsieur Cravate blue?’ vulde Tianna haar aan. De vrouw keek haar met grote ogen aan. ‘Hoe weet jij dat?’

‘Zomaar een gok,’ antwoordde Tianna waarbij ze haar schouders ophaalde.

‘Bijzonder,’ mompelde de vrouw. ‘Het is alweer vier jaar geleden.’

‘Hoe is het eigenlijk met jullie dochter afgelopen, is ze genezen?’ vroeg Tianna. De vrouw schudde haar hoofd. ‘Nee, in de afgelopen vier jaar heb ik vrijwel al onze bezittingen moeten verkopen om haar behandeling en medicijnen te kunnen betalen.’ Ze wachtte even en keek naar boven, de zwarte lucht in. Grote sneeuwvlokken dwarrelden als tranen langs haar gezicht. ‘We wonen in een groot huis, maar dat zal ik ook te koop moeten zetten. En dat is jammer omdat onze familie daar al generaties lang heeft gewoond. Maar het is niet anders.’ Vervolgens begon de vrouw met haar voet wat dode bladeren weg te schuiven, het leek wel alsof ze iets zocht. Tianna merkte het op. ‘Zoekt u wat?’ vroeg ze dan ook.

‘Mijn man droeg altijd een duur sieraad, toen ze hem vonden had hij deze niet meer,’ antwoordde ze. ‘Met dat sieraad zou ik het huis kunnen houden én de behandeling kunnen betalen,’ zei ze. ‘Maar hij zal het wel vergokt hebben.’

‘Was dat misschien een dasspeld?’ zei Tianna. De vrouw schrok van haar antwoord. ‘Hoe weet jij dat?’

Beiden werden opgeschrikt door de armoedige toeter van de bus. Tianna draaide zich om en zag dat Marcus vanachter zijn stuur op zijn horloge wees, ze moesten maar eens verder. Tianna was blij met de onderbreking. ‘Nou, we moeten weg!’ zei ze en liep snel naar de vangrail. De vrouw wilde nog wat aan haar vragen en stak haar hand op. Maar het was te laat, Tianna was de bus al ingestapt en ging naast Marcus zitten. Marcus wilde wegrijden maar wachtte nog even omdat de vrouw op de bijrijdersraam klopte. Tianna draaide het raampje open. De vrouw glimlachte en stak haar arm naar binnen. ‘Hier,’ begon ze terwijl ze Tianna een kaartje gaf. ‘Dit is mijn adres. Als jullie nog een keer in de buurt zijn, kom dan eens langs. Ik heb namelijk het vreemde gevoel dat jullie mijn man op de een of andere manier kennen.’

Iedereen zweeg, behalve Jovan natuurlijk. ‘H-h-het vreemde van dit alles is dat…’  verder kwam hij niet omdat hij van Aron een por in zijn ribben kreeg. Jovan keek hem verbaasd aan. Aron schudde zijn hoofd en fluisterde. ‘Vertel maar niet wat er net gebeurd is.’ Jovan begreep het, het zou de vrouw alleen maar van streek brengen.

‘Wat wilde je zeggen?’ vroeg de vrouw.

‘V-v-vrolijk kerstfeest mevrouw. Ondanks alle ellende,’ zei hij er nog snel achteraan.

‘Bedankt. Hetzelfde, hetzelfde,’ antwoordde de vrouw en deed een stap naar achteren zodat Marcus de bus in beweging kon brengen. Niet veel later reed de bus weer over de périphérique. Niemand zei wat, iedereen was nog onder de indruk van wat er was gebeurd. Maar wat het ook was, de bus deed het gelukkig weer.

‘Ik heb er trek van gekregen,’ zei Marcus die zijn maag hoorde knorren. ‘Kan jij voor mij een reep pakken, die ligt in het dashboardkastje,’ zei hij tegen Tianna. Tianna deed de klep open en zocht de reep. Marcus voelde dat haar lichaam plotseling verstijfde. ‘Wat is er?’

Op het gezicht van Tianna verscheen een lichte glimlach. ‘Ik denk dat we via een omweg naar Italië moeten rijden,’ zei ze zachtjes terwijl ze iets uit het dashboardkastje pakte.

Het was vroeg in de ochtend op eerste kerstdag. De vrouw was opgestaan om haar zieke dochter te verzorgen waarna ze met een hete bak thee voor het raam stond. Voor zich zag ze een spierwitte wereld door de sneeuw die de nacht daarvoor gevallen was. Ze dacht na over de vorige avond. Over de vreemde ontmoeting met een man, kinderen en de hond. Ze werd onderbroken door het geroep van haar dochter. Of ze haar een leuk kerstverhaal wilde voorlezen. De vrouw liep naar haar dochter die op bed lag. ‘Maar ik weet helemaal geen leuk kerstverhaal,’ zei ze tegen haar kind. ‘Kan je er dan niet een verzinnen?’

‘Oké, dan verzin ik er een. Maar dan moet ik daar wel even over nadenken.’

De vrouw liep de kamer uit en wandelde door de gangen van de grote woning. Nog even en ze zou alles moeten verkopen. Toen ze voorbij de voordeur liep, viel haar oog op een enveloppe die nog half uit de brievenbus stak. Aarzelend liep ze erheen en pakte de enveloppe. ‘De zoveelste aanmaning,’ mompelde ze en maakte de enveloppe open. Haar adem stokte in haar keel en haar hart maakte een vreugdesprongetje toen ze zag wat erin zat. Dit was onmogelijk. Zo snel als ze kon, rende ze naar haar dochter.

‘Heb je nu al een kerstverhaal verzonnen?’ vroeg haar dochter dan ook verbaasd. Over het gezicht van de vrouw rolde een traan toen ze de enveloppe aan haar dochter gaf. Die begreep er niets van en bekeek vol ongeloof de inhoud.‘Ja,’ antwoordde haar moeder eerst kort. ‘En het is het mooiste kerstverhaal dat je maar kunt wensen,’ zei ze erna terwijl ze samen met haar dochter naar het voorwerp keken dat de doodzieke dochter nu in haar kleine handje hield. Het was namelijk een gouden dasspeld, versierd met kleine briljantjes. Het was de dasspeld van haar vader.

https://www.boekscout.nl/shop2/boek/9789465098845

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *